Zie Oud Alblasserdam 7 Sluis op de Dam omstreeks 1910. Voor het Waardhuis, nog in oorspronkelijke toestand staan nogal wat koetsen, reden om aan te nemen dat er vergadering van het bestuur van de Nederwaard wordt gehouden. De rij huisjes tegenover het Waardhuis vormden het Noorderstek, ongeveer ter plaatse waar nu de Havenstraat loopt. Gezien de hoek waaronder de foto is genomen, lijkt het aannemelijk dat deze vanuit een bovenraam van Slij­terij van Krimpen is genomen. Lantaarns opsteken. Links op de sluis staat een lantaarnpaal, waarvan de verlichting geschiedt door middel van petroleum. Het lantaarn opsteken gebeurt omstreeks die tijd door de he­ren Van Wijnen en Erkelens. De laatste nam de lantaarns op Dam, Kerkstraat, Polderstraat en Hoogendijk voor zijn rekening, de eerste liep vanaf de Dam, heel Cortgene, Oost- en West-Kinderdijk uit, tot aan het kantoorge­bouw van Kloos Kinderdijk NV. Niet alleen omdat daar ongeveer de grens van Alblasserdams grondgebied ligt, nee, maar ter plaatse begon elektrische straatverlichting. Een straatverlichting die ongeveer ophield bij het post­kantoor in de Kinderdijk en die geen gemeentelijke, maar een particuliere aangelegenheid was. Onderaan de machinefabriek van voorheen J. & K. Smit stond de centrale Kinderdijk, die zorgde voor licht langs de dijk en in huis voor de directieleden van Kloos en L. en J. & K. Smit. Machinist was de heer Van den Berg. Maar om terug te komen op onze lantaarnopsteker Van Wijnen, deze begon zijn lantaarns aan te steken bij de vroegere scheepswerf van Jonker. Daartoe werd gebruik gemaakt van een laddertje, met een inkeping in de bovenste sport om glijden te voorkomen. Een van de raampjes van de zeskantige lantaarn werd geopend en met een lucifer werd licht gemaakt. Oppassen dat de pit niet begon te roken en dan vlug het raampje dicht om doven van het lichtpuntje, want meer was het niet, te voorkomen. Met een beetje wind gelukte dat niet altijd even goed. Vooral als het wat hard waait kan dat nogal eens gebeuren, dat men, voordat men goed en wel beneden was weer de ladder op kon, omdat de wind onder de kap van de lantaarn was geslagen. Zo zakte men dan de Kinderdijk af tot men op de Dam uitkwam. Behalve lantaarnopsteker, waren de heren Erkelens en Van Wijnen ook nachtwaker en moest men om het uur de tijd afroepen, bijvoorbeeld “10 heit de klok, 10 uur”, waarna twee slagen met de klepper wer­den gegeven. Deze nachtdienst duurde van 10 tot 4 uur, in tegenstelling tot de dagpolitie, toentertijd gevormd door de agenten Praag en Zwart en later Kaat en Leuhof. Het tijdstip van aansteken hing af van het jaargetijde en maanstand, ’s Zomers brandden geen lantaarns, omdat de zon toch laat onderging en in de andere jaargetijden was het criterium of het volle maan was of niet. In het eerste geval behoefde men ook de lantaarns niet aan te steken, in de andere gevallen van wassende maan, eer­ste en laatste kwartier wel. Dat kon in de wintermaan­den reeds in de late middaguren het geval zijn. Niet alleen aansteken, maar ook het uitblazen van de petroleumlichtjes behoorde tot de taak van deze mensen in gemeentedienst. Om 10 uur ’s avonds werd begonnen, daar waar men de ladder het laatst had gebruikt voor het aansteken en in omgekeerde richting werden de lantaarnpalen weer met een bezoek vereerd. Het uit­blazen gebeurde met een koperen blaaspijpje van on­geveer 40 cm lang, dat door de opening in de kop van de lantaarn gestoken werd. Eenmaal per week werden de lantaarns onder handen genomen, werd koper gepoetst, de pitten en raampjes schoongemaakt en de tank met petroleum bijgevuld. Al met al tijdrovende werkzaamheden, die weinig geld in het laatje brachten, waarom in de resterende uren van de dag andere werkzaamheden voor particulieren e.d. werden verricht, zoals bijv. het schoonhouden van een of twee ‘slagen’ (delen) van De Alblas, welke werk­zaamheden van De Nederwaard na het uitbrengen van een bod werden aangenomen. Het lantaarn opsteken ver­dween met de komst van het elektrisch licht in de jaren 1916 tot 1918.

Bron: HVWA